04-08-2011 - Voc - Hoog speel op volle zee
De VOC of Vereenigde Oost-Indische Compagnie was tijdens de 17de en 18de eeuw de grootste handelsmaatschappij ter wereld. De compagnie werd in 1602 opgericht om de handel in de Indische Oceaan te beschermen en om te helpen in de oorlog tegen Spanje. In 1619 werd de stad Batavia (nu Jakarta, Indonesië) gesticht als hoofdkwartier van de Compagnie en tegen 1652 strekte het monopolie van de VOC zich naar het oosten uit van haar nieuwe tussenstop bij Kaap de Goede Hoop tot de Straat Magellaan. Een vergelijkbare organisatie, de WIC of West-Indische Compagnie, was intussen in 1621 opgericht om in de handel met de Amerika’s en westelijk Afrika te kunnen wedijveren met Spanje. Ze stichtten verscheidene forten, waaronder Manhattan Island en Fort Nassau aan de rivier de Delaware. Gedurende tweehonderd jaren bevoeren de Nederlandse handelsschepen alle belangrijke zeeroutes, ze voeren kriskras over de wereld met allerlei soorten lading, waaronder honderdduizenden slaven. Deze schepen werden voor het grootste deel bemand door uitschot en schooiers. Geen enkele beroepszeeman zou dit werk voor welke prijs dan ook hebben gedaan, maar de wanhopigen, de opgejaagden, criminelen van allerlei pluimage en de afgedankte mensen uit allerlei landen vonden allemaal werk in deze menselijke smeltkroes. Onderdeel van de bemanning op alle schepen waren soldaten. Het enige dat ze hoefden te doen was op de uitkijk staan en veiligheid bieden. Dit was een bron van grote en borrelende haat voor de rest van de bemanning omdat zij de constante zware taak hadden om alle andere werkzaamheden aan boord uit te voeren.
De zieken lagen naast de stervenden, de doden werden eenvoudig overboord gegooid
Om regelmatige botsingen te voorkomen, was de accommodatie van de soldaten op een lager dek en met enige moeite, gezien de krappe en benauwde condities op een typisch handelsschip, hoefden de twee groepen elkaar zelden tegen te komen. Maar omdat ieder schip zijn typische mengelmoes aan nationaliteiten had (en sommige bemanningsleden uit landen kwamen die met elkaar in oorlog waren), borrelde de onenigheid altijd onder de oppervlakte en leidde vaak tot een geweldsuitbarsting. Het leven was in die tijd voor alle opvarenden onplezierig en kon zelfs ronduit afschuwelijk zijn. Voor de honderdduizenden slaven die van Afrika naar het oosten en westen werden vervoerd, waren de omstandigheden zo gruwelijk dat het regelmatig gebeurde dat een groot deel van de menselijke lading stierf tijdens de reis; velen kwamen om voordat het schip zelfs maar vertrokken was of voordat ze aan land gebracht konden worden. Een schip was normaalgesproken gebouwd om 450 slaven te vervoeren, maar vaak waren er 600 aan boord, de meesten in de vieze, donkere diepte van de romp, maar sommigen buiten op de open bovendekken; ze waren allemaal vastgebonden of geketend. De zieken lagen naast de stervenden; de doden werden eenvoudig overboord gegooid. Anderen probeerden liever los te breken en zichzelf overboord in zee te gooien dan dat ze de rest van hun leven als slaaf zouden moeten doorbrengen of een nog erger lot te ondergaan: velen geloofden de hardnekkige geruchten dat ze naar de andere kant van de oceaan werden gestuurd om door kannibalen te worden opgegeten. Pas in 1814 werd de vreselijke handel van slavenvervoer opgeheven door de Nederlanders. In veel plaatsen bleef slavernij zelf nog lange tijd bestaan.
Aan boord was er geen bescherming tegen buitenlandse ziektes en de medische faciliteiten waren bijna nietbestaand. Zelfs als die wel beschikbaar waren geweest, dan zouden scheepsartsen nog zelden de vaardigheden of tijd hebben gehad om meer gecompliceerde operaties uit te voeren. De kenmerken en complexheid van een zeilschip uit die tijd maakte van iedere taak een potentieel gevaar. Ernstige verwondingen aan de ledematen kwamen veel voor en vereisten vaak een operatie, wat in de meeste gevallen betekende dat het getroffen ledemaat prompt tot het dichtstbijzijnde ongeschonden gewricht werd geamputeerd. De combinatie van vieze omstandigheden en de constante en vaak heftige bewegingen van het schip maakten verdere behandeling onmogelijk. De stereotype afbeelding van zeemannen met houten benen en haakhanden weerspiegelt gewoon de harde realiteit. Voorbeelden van aandoeningen waar veel zeemannen aan leden, zijn scheurbuik, tyfus, dysenterie, pleuritis en longontsteking. Maar op zee was ziekte niet de enige vijand.
De elementen vormden ook een constant gevaar, net als voor zeelieden vandaag de dag. De kleding was minimaal en bood weinig of geen bescherming. Veel opvarenden – zowel officieren als bemanning en slaven – stierven door gewelddadige stormen, blootstelling, koude, gloeiende hitte en andere extremen van het weer. Piraten en vijandelijke buitenlandse schepen zorgden voor nog meer gevaren.
Gepost door: hansemma op 04-08-2011 om 15:25
|
|